vrijdag 14 mei 2010

'Nieuwe feiten over Oisterwijks verzet in '40-'45 ' in 't Kerkklokje ; 21okt.1992

Kerkklokje 75e jaargang Nummer 43 -21 oktober 1992-

Nieuwe feiten over Oisterwijks verzet in ’40-‘ 45.

Komende maandag, 26 oktober, kan Oisterwijk de 48e verjaardag vieren van de bevrijding. ’t Kerkklokje grijpt dat feit aan voor een gesprek met twee prominente vertegenwoordigers van het verzet in onze woonplaats:

Bim van der Klei, tegenwoordig woonachtig in Gedrop en Mark van de Snepscheut. Het gesprek vond plaats in het woonhuis van Van de Snepscheut in Eindhoven. De oud-verzetsmannen hadden er behoefte aan om feiten en achtergronden te vertellen die een aanvulling kunnen zijn op wat er al gepubliceerd is in de twee Oisterwijkse oorlogsboeken. Bijzondere aandacht krijgt daarbij Jan Linthorst, een Oisterwijkse verzetsman die op 19 augustus 1944 in het kamp Vught om het leven werd gebracht.

Vanwege het historische belang van de feiten die Van der Klei en Van de Snepscheut kennen, heeft eerstgenoemde (die blind is) zijn verhaal op papier laten zetten door W. Tensen uit Heemstede. Het onderstaande is zowel ontleend aan dat document als aan
het bovengenoemde gesprek dat op 16 oktober 1992 plaatsvond. Van der Klei schrijft:

‘Wat nu de geschiedenis van de verzetsgroep en vooral ook de rol van ‘oom Jan’ Linthorst betreft, allereerst het volgende: In het voorjaar van 1943 was ik, samen met de student René Norenburg uit Tilburg ondergedoken bij boerenmensen in Haaren.[1][2][3]
Wij leerden daar de gebroeders Van de Weijer uit Haarlem kennen via de gemeenteambtenaren D. Visser en M. v.d. Wildenberg, die ons vieren persoonsbewijzen hadden verschaft. [4]

Geërgerd over wat er in ons land gebeurde en vrijwel tot nietsdoen gedwongen, rees ook bij ons de behoefte om verzet te plegen. Daar wij gemerkt hadden dat de beide ambtenaren op dit punt contacten hadden boven de grote rivieren, stelden wij voor ons hiermee in contact te brengen. Dit lukte. Wij kregen bezoek van twee verzetsmensen uit het noorden met wie we de diverse mogelijkheden bespraken. Het bleek dat wij te maken hadden met leden van de zogenaamde Raad van Verzet (RVV), een organisatie die wij niet kenden.

Sabotage

De mannen maakten op ons een zeer gemotiveerde en besluitvaardige indruk. Gezien ook het verloop van de oorlog ging het om meer offensieve vormen van verzet.
Wij zegden onze medewerking toe en ontvingen enige materialen, echter geen wapens. Contactman werd R. Garschagen uit Baarn, die ik bij toeval kende. Deze sprak over de mogelijkheden van sabotage maar vooral ook over een geschikte plaats voor het opslaan van en het oefenen met wapens. Norenburg en ik beloofden hem daarbij te helpen.
De beide broers Van de Weijer pleegden in die tijd enige aanslagen op materiële doelen.

Na een overval door ons op het gemeentehuis in Haaren dook ik voor korte tijd onder in Den Bosch. Men had mij verzocht daar een oefening te houden met enige groepen van de RVV voor het verbreken van telefoonverbindingen rond de stad.
Dit gelukte slechts ten dele, waarna ik onderdook in Moergestel.

Mijn distributiebescheiden kreeg ik van de plaatselijke afdeling van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. (LO), met name van de Oisterwijkers Gerrit van der Linden en kapelaan Sleegers.



Jan Linthorst

Het was intussen begin 1943 en via Van der Linden had ik mijn eerste gesprek met het verzet met de heer Linthorst (‘oom Jan') die ik als Oisterwijkse dorpeling reeds kende. Linthorst gaf mij het adres van een pastoor in Sterksel met wie Norenburg en ik een onderhoud hadden.

Via deze man kregen wij enige achtergebleven wapens uit de meidagen ’40 en het adres van de beheerder van de staatsbossen uit de omgeving. Deze man beloofde zijn medewerking aan het plan van Garschagen, die daarop de relatie overnam. Norenburg zou voortaan koerierswerk doen voor de RVV, terwijl ik zou zorgdragen voor de activiteiten in de omgeving van Oisterwijk.
Linthorst beloofde zijn medewerking, hoewel het duidelijk was dat hij reeds te zwaar was belast. Hij was niet alleen betrokken bij tal van illegale zaken, maar had ook veel moeite om zijn bedrijf, dat surrogaatzeep en –schoensmeer produceerde, draaiende te houden. Hij had ongeveer 40 werknemers in dienst die vrijwel allen weigerden om in Duitsland voor de oorlogsindustrie te werken of die daar, na hun verlof, niet wensten terug te keren. Deze mensen hadden meest valse papieren.

De directies van het arbeidsbureau en het rijksbureau voor chemische producten waren op de hoogte en gaven illegaal hun volledige medewerking. ‘Oom Jan’ Linthorst was een actieve hulpvaardige man, die, naar het mij leek, geen angst kende. De directe leiding over het productiepersoneel, met de daaraan verbonden problemen, was toevertrouwd aan Mark v.d. Snepscheut, die ook mij alle medewerking verleende.

De bedrijfsleider, Jan Brunnekreef, onderhield het contact met de diverse instanties.

Linthorst kon zijn bedrijf, i.v.m. de benodigde vergunningen en ‘Ausweise’ alleen draaiende houden als hij ook leverde aan de ‘Wehrmacht’. Hij gaf bovendien grote bedragen voor het vrijkopen van gearresteerde Nederlanders. Linthorst verzocht mij hem te willen helpen bij het transport en onderbrengen van neergeschoten, geallieerde vliegers, waarvoor hij in
diverse plaatsen in Brabant contacten had. Zo zorgde onder meer de groep ‘André’ in Sprang-Capelle voor de passage naar België.



‘Lange Jan’

Door het contact met de RVV ontmoette ik tijdens een bespreking op het kasteel in Deurne voor het eerst ‘Lange Jan’ Thijssen, voorman van de RVV. Mijn kordate vriend Martien van de Weijer en ik waren nog wel actief, maar het leek mij toch wenselijk aan het werk wat meer gestalte te geven. Tijdens het gesprek bleek dat Thijssen problemen had met het vinden van een regionale commandant voor Brabant. Hij vroeg mij in mijn gebied een verzetsgroep te vormen en wij bespraken het werk dat wij zouden doen.

Het was bekend dat de Duitsers door het gebrek aan brandstoffen grote transportproblemen hadden, waardoor veel per spoor geschiedde en dat zij op het gebied van de telecommunicatie vooral op kabelverbindingen waren aangewezen. Voor het vormen van een nieuwe groep was het gebied rond Oisterwijk zeer geschikt. Enige tijd daarna bracht ‘Lange Jan’ Thijssen samen met zijn vrouw een bezoek aan Oisterwijk. Wij hadden een gesprek met Linthorst die hem bovendien met enige zaken, zoals valse stempels en vergunningen, kon helpen. Linthorst stelde ook zijn kleine laboratorium ter beschikking voor het vervaardigen van eenvoudige fosforbrandbommen.
Thijssen bevestigde nogmaals dat sabotage aan de verbindingen, vooral wanneer de bevrijding nabij zou zijn, van het grootste belang was.
De zozeer benodigde wapens, springstoffen en een instructeur kon hij echter nog niet toezeggen. Ik woonde nu op kamers in Moergestel, waarvan het adres aan vrijwel niemand bekend was.

Visser, V.d. Wildenberg, Norenburg, Garschagen - en later ook Martin v.d. Weijer- werden gearresteerd. Mijn arrestatie mislukte omdat ik veilig was ondergedoken. V.d. Weijer kwam weer los en Garschagen overleefde de kampen. De anderen hebben wij nimmer teruggezien.

Als contact-man met Thijssen fungeerde voortaan W. Thomas uit Rotterdam. Deze had ook het losgeld van Linthorst aan de Sicherheits Dienst (SD) in Den Haag overhandigd.

Drama

De hulp aan her en der verborgen vliegers bij de terugkeer naar hun basis was van groot belang. Men verkreeg daarbij ook vele illegale contacten in allerlei plaatsen. Daartoe behoorde eveneens de familie Van Bruggen-van Moorsel te Eindhoven, die ik al voor de oorlog kende. Via dit adres kwam ook ‘Hansje’ Gerritsen, die gezocht werd en voor
wie dringend een onderduikplaats nodig was, naar Oisterwijk.[5] Linthorst stelde hem in zijn laboratorium te werk. (…)

In Juni/juli 1944 beschikten wij over voldoende mensen voor een nieuwe groep. Ondertussen was de kleine kern van die groep steeds actief geweest.
Voor hun onderdak, papieren e.d. zorgde voornamelijk de plaatselijke LO.

Omdat ik ook nog een clandestien examen moest afleggen, werd het werk mij te veel. Ik vroeg toen Wim Tensen, een oude schoolvriend uit Tilburg die al in het verzet zat, mij te assisteren. Het huis en de fabriek van Linthorst bleven voor allerlei doeleinden beschikbaar.

Op een dag kregen we bericht van Van Bruggen dat met spoed vijf vliegers moesten worden ondergebracht. Dit lukte via een contact van Linthorst in Tilburg. Tensen ging voor het regelen van het transport naar Eindhoven. Men wenste daar het vervoer in een politieauto in twee ritten na de avondklok zou plaatshebben. Het werd een drama.

De eerste drie vliegers werden zonder problemen via Oisterwijk, eerst door Van Bruggen en daarna onder leiding van Brunnekreef, naar het adres van Coba Pulskens in Tilburg overgebracht. Het tweede transport met de twee resterende vliegers, o.l.v. Brunnekreef, werd door een Duitse wegcontrole te Moergestel aangehouden en ontmaskerd. Toen de politieauto niet terugkeerde, waren wij gewaarschuwd.

Mark v.d. Snepscheut ging naar Linthorst en bezwoer hem het huis te verlaten en die dag in de bossen door te brengen. Linthorst was zeer ontdaan; hij was ongewoon nerveus en onzeker in zijn beslissingen. Hij volgde het dringende verzoek niet op, bleef thuis en werd korte tijd later gearresteerd.

Wij konden nog slechts allerlei belastende zaken, waaronder wapens, uit het huis en het bedrijf verwijderen. Wat ‘oom Jan’ bezielde, is Mark v.d. Snepscheut en mij nimmer duidelijk geweest. Hij was een goedlachse, vrolijke man, maar op zijn eigen manier zeer principieel; een vrome man ook die, naar ik hoorde, reeds in de crisisjaren verarmde en gedupeerde mensen bezocht en hielp waar hij kon. Ik acht het niet uitgesloten dat hij bewust thuis bleef en dat hij zijn troeven, die hij waarschijnlijk overschatte, heeft willen uitspelen om nog iets voor de anderen te kunnen redden. Hij heeft zich vergist.
Voor de hulp aan geallieerde vliegtuigbemanningen was er maar één straf. Jan Linthorst werd op 19 augustus 1944 op 54-jarige leeftijd, samen met enige anderen onder wie Van Bruggen en Brunnekreef, te Vught gefusilleerd. Het verhaal over de even zo moedige als hulpvaardige Coba Pulskens in Tilburg is bekend. (Zie: Rik Oerlemans e.a.: Oorlog in Oisterwijk, Oisterwijk 1984. Red.) (…)

Jan Thijssen werd najaar 1944 bij De Woeste Hoeve gefusilleerd.[Jan Thijssen werd op 8 november 1944 gearresteerd en op 8 maart 1945, samen met 116 verzetstrijders, als represaillemaatregel voor de aanslag op Hanns Albin Rauter, gefusilleerd. R.]



Cor Wortel

Bij de inmiddels gevormde, slechts ten dele bewapende verzetsgroep, voegden zich begin september via Tensen enkele illegalen uit Tilburg. In de nacht van 5 op 6 september 1944 had een succesvolle aanslag plaats op de spoorlijn van Tilburg naar Boxtel waarbij beide lijnen volledig werden geblokkeerd. Hoewel de aanslag in de daaropvolgende nacht op de lijn van Tilburg naar Den Bosch (bij Helvoirt) meer risico en spanning opleverde dan de vorige, mislukte dit vanwege de strenge Duitse bewaking van de spoorbaan. Na terugkeer van deze actie werden we bij de ingang van het dorp door kapelaan Sleegers opgewacht met het bericht dat de Duitse politie ons kwartier in het dorp had omsingeld en met hand- granaten had bestormd. Wij hadden geen uur eerder thuis hoeven te komen of we hadden in de val gezeten. Na dit voorval trokken we ons terug in de bossen, waar we betrekkelijk veilig waren. Kort daarop hadden twee van ons in de bossen een vuurgevecht met de Duitsers, waarbij Cor Wortel werd doodgeschoten.
Aangeslagen door de dood van hun vriend, trok de kleine groep Tilburgers zich terug in hun stad. (…)



Gerard van der Linden

In de dagen voor de bevrijding hadden we het contact met de landelijke commandant van de RVV verloren. Hoewel we ons nog sterk met de RVV verbonden voelden, waren we in menig opzicht steeds meer aangewezen op de LO/KP. Gerard van der Linden heeft ons voortreffelijk voorzien van voedsel, berichten e.d. Hij gaf ons ook de opdracht door van Frank (J.A. van Bijnen), landelijk sabotagecommandant van de LO/KP, tot het onklaar maken van Duitse verbindingen. Later werd van der Linden wnd. districtscommandant
van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in Oisterwijk. (Zie: Leo van der Pijl: Oisterwijk na de bevrijding in Zorgvolle Tijden, Oisterwijk 1991).

In die dagen begon ook de Duitse uittocht. Ik verkende nog eenmaal het dorp en sprak met vertrekkende Duitsers. Het was duidelijk dat zij niets meer van de oorlog verwachtten.- (…)

Het was op dat moment niet te bevroeden dat onze bezetting nog bijna twee maanden zou duren.



Balsvoort

Het Duitse gezag herstelde zich snel. Tot mijn verwondering meldde zich op mijn huis adres bij mijn vader een geheime agent (H. Engel) met zender. Deze kwam uit Eindhoven en was vanuit Tilburg per ziekenauto vervoerd. Hij werd in een boerderij ondergebracht en deed van daaruit zijn werk. Wij hielden ons in de bossen beschikbaar en verbeterden
onze uitrusting door Duitse patrouilles aan te houden en ze te ontwapenen.
Voorlopig werden zij ondergebracht op de boerderij van de familie Schut op Balsvoort,
waar zich ook regelmatig onderduikers ophielden.

Toen we rond de dertig krijgsgevangenen hadden, werd ons kamp ontdekt door een verdwaalde Duitse patrouille. Het was op zo’n korte termijn niet mogelijk onze Duitse gevangenen elders onder te brengen en we moesten ze laten gaan. (…)

Het gelukte ons in het frontgebied nog een kleine brug op te blazen waarbij we gebruik maakten van door Hansje Gerritsen en Appie Nijboer buitgemaakte springstoffen.
Voorts zagen we kans een aantal belangrijke ondergrondse kabelverbindingen te vernielen. Tenslotte hadden enigen van ons een ernstig treffen met een Duitse politie-eenheid die door kordaat optreden van ‘Lange Wim’ van Enter met eerder buitgemaakte automatische wapens werd verjaagd. (…)

Kort voor de bevrijding werd de groep veiligheidshalve ontbonden. Wij kwamen met verschillende geallieerde onderdelen Oisterwijk binnen, terwijl een van ons de Airbornes naar Boxtel bracht. Allen vierden daarna in Oisterwijk hun welverdiende bevrijding.’

Tot zover het, enigszins ingekorte, op schrift gestelde verhaal van Bim van der Klei.

Wie belangstelling heeft voor het volledig document kan dat inzien bij het Streek-archivariaat, waar het heden door de redactie van dit blad is gedeponeerd.



Aanvullingen

Tijdens het interview verstrekten Van der Klei en Van de Snepscheut nog een aantal aanvullende mededelingen.

- De verzetsactiviteiten vonden nooit in de Oisterwijkse dorpskern plaats, maar juist op behoorlijke afstand. Van der Klei:
‘We wilden het de bevolking niet aandoen dat de Duitsers, uit represaille, tien mensen tegen de muur zouden zetten.’

- Het doodschieten van de gebroeders Schut zou nooit gebeurd zijn als de oorlog een normaal verloop had gehad. De bevrijders kwamen acht weken later dan verwacht werd.

- Van der Klei: ‘Wij hadden niet de bedoeling oorlogje te voeren. Het was een puur defensieve toestand. Ons doel was om vlak achter het front verbindingen, zoals bruggen en spoorlijnen, te verbreken.’

- Een van de sabotagedaden was het doorsnijden van een telefoonkabel aan het einde van de Oirschotse Dijk die via Tilburg oostwaarts liep.

- Sabotage aan Duitse vrachtauto’s, waar bommetjes ingegooid werden, gebeurde o.a.door Boy Ecurie. (Zie over hem: Wim Brugman jr.:

De verzetsman Wim Brugman in Zorgvolle Tijden, blz. 93-97).

- Mark v.d. Snepscheut, die in 1922 in Oisterwijk werd geboren, is een broer van Piet, die werkzaam is op het bureau burgerzaken van de gemeente Oisterwijk.

- Het bedrijf van Linthorst heette 'Saboena'. De fabriek heeft in Oisterwijk over verschillende panden de beschikking gehad, o.a. over gebouw 'De Schuur' aan de Hoogstraat.

Linthorst kwam in 1934 naar Oisterwijk. Aanvankelijk verdiende hij de kost met de verkoop van beelden voor kerststallen en met gevelbelettering. Jan Linthorst was niet gehuwd. Hij woonde, met twee eveneens ongetrouwde zussen, in een huis aan 'De Lind' naast Bob van Oss. Door zijn fabriek wist hij heel wat mensen te onttrekken aan de Duitse ‘Arbeitseinsatz’. Het werk bij 'Saboena' was smerig. Van de Snepscheut: ‘Wat Linthorst gedaan heeft, is geweldig ondergewaardeerd.’ Van de Snepscheut werkte aanvankelijk bij 'schoenfabriek Renata'. Nadat die in 1941 moest worden stilgelegd wegens gebrek aan grondstoffen, kon hij bij 'Saboena' terecht. Na de arrestatie van Linthorst heeft Van de Snepscheut de fabriek nog enige tijd draaiende gehouden.

- Van der Klei zegt gekwetst te zijn door de opmerkingen van burgemeester Verwiel
(zie het artikel van Leo van der Pijl in Zorgvolle Tijden) dat de daden van zijn verzetsgroep ‘kwajongenswerk’ waren. Van der Klei wil overigens geen oordeel geven over de rol van burgemeester Verwiel in oorlogstijd: 'Ik durf geen oordeel over burgemeester Verwiel te geven en ik doe het ook niet.’

-Met het geld dat Linthorst door 'Saboena' verdiende, kocht hij mensen vrij. Volgens Van der Klei heeft Linthorst, via stroman Wim Thomas, op het kantoor van de SD in Den Haag minstens twee verzetsmensen vrijgekocht. Een van hen was de directeur van het productschap voor chemische producten. Via dat productschap kreeg Linthorst de grondstoffen voor 'Saboena'.


Hier volgen nog enkele toevoegingen van de mijzelf - ik ben een neef van René Norenburg, een van de medeonderduikers van Bim van der Klei in Haaren-.

Noten :
[1] Pas in 1950 kon het Nederlandse Rode Kruis officieel bevestigen dat René Norenburg in het voorjaar van 1945 in Duitsland was omgekomen. Bekijk de video met een brief van Bim van der Klei uit het najaar 1950, waarin Bim van der Klei schrijft dat hij zich heeft voorgenomen om een onderscheiding aan te vragen voor zijn gevallen kameraden.
[2] Zie hier ook enkele foto's en brieven van René Norenburg ten tijde zijn onderduikperiode in Haaren.

[3] In 1978 stelde Bim van der Klei zijn oorlogsherinneringen op schrift in autobiografisch manuscript getiteld 'De Smalle Weg'. Lees hier de pagina's -p55t/m63- De onderduiktijd van Bim bij de familie Hoevenaars en de overval op het Gemeentesecretariaat van Haaren in de nacht van 13 op 14 januari 1944.

[4] De ' Roof-overval ' op het gemeentehuis van Haaren van 14 januari 1944, - kopie van het verslag van Martin van de Weijer uit het Nederlands Oorlogs-documentatiecentrum NIOD.

[5] In 'Vrijgevochten', de autobiografie van Hans Gerritsen, leest men in een bijlage een vroeger verslag van Oisterwijks verzet door Bim van der Klei.


1 reacties:

Corrie zei

Hoe bijzonder om te lezen over familie die ik nooit gekend heb. Jan Linthorst was de oom van mijn vader, Wim Kieft, en dus ook van de broer van mijn vader, Jacques Kieft. Mijn vaders broer zat eveneens in het verzet bij zijn oom Jan Linthorst.